shoppen — een onderwerp dat verrassend persoonlijk werd, met onze eigen familie als voorbeeld.
https://raboenco.rabobank.nl/nl/juli_2025/1441/oud-en-niew/
Tweedehands kleren zijn hip, ervaart Lenny Fleuren (57), eigenaar van modezaak Helemaal JIJ in Venlo. Goedkoper en beter voor het milieu, redeneren haar klanten. Die verkopen bij haar hun kleding en kopen er iets ‘nieuws’ voor. Vroeger, weet haar moeder Gerdy Fleuren (78), had je geen tweedehands kleren. ‘Je droeg kleren tot ze versleten waren. Alleen voor speciale gelegenheden kocht je iets nieuws’. En daar was je zuinig op.’
Even waan je je aan de Via Montenapoleone in Milaan. Heus: in de etalage van een modewinkel in Venlo, aan de Kwartelenmarkt, draagt één van de etalagepoppen een designerjacket van Versace. In een tweedehands zaak nota bene!
Rabo &Co bezoekt Helemaal JIJ van Lenny Fleuren (57) om uit te vlooien hoe hip het tegenwoordig is om tweedehands kleren te kopen. Uiteraard speelt de prijs een rol. De ‘Versace’ bijvoorbeeld, nieuwprijs ruim 2.000 euro, mag weg voor 450 euro. ‘Dan is de klant tevreden. Het is ons duurste item.’
Duurzaam shoppen is populair – in alle leeftijdscategorieën. Jongeren vinden dikwijls hun weg via platforms zoals Vinted. Bij Helemaal JIJ zien ze met name de leeftijdscategorie dertig tot zestig jaar, vertelt Lenny. ‘Die willen unieke stukken. Jongeren omarmen de bloemetjesjurken van oma. Ouderen lopen daar van weg, omdat het hen doet denken aan vroeger en dus aan oud’.
Geen schaamte
Mooie kleding hoeft niet duur te zijn. ‘Bovendien, niet iedereen heeft geld om iets nieuws te kopen. Denk aan studenten, mensen met een uitkering of grotere gezinnen.’ Nog een reden om te kiezen voor tweedehands: ‘Steeds meer jongeren vinden duurzaamheid belangrijk. Hergebruik van kleren is beter voor het milieu. Bovendien kunnen ze geld verdienen als ze hier kleding inleveren die er nog als nieuw uitziet, maar die ze niet meer dragen. Daarmee kunnen ze iets ‘nieuws’ kopen.’
Negatieve associaties spelen soms ook een rol bij tweedehands. Maar hier ruikt het fris. Alles hangt netjes op kleur, van tijgermotiefjes tot blauwe tinten, met de duurdere merken bovenin. Op de achtergrond klinkt het huisnummer, ‘Helemaal JIJ’, met artificial intelligence gemaakt. ‘Als er al sprake was van schaamte, dan verdwijnt die zodra je hier binnenstapt’, zegt Fleuren, met gevoel voor pr.
Vroeger
Na vijf jaar werkzaam te zijn geweest als franchise-ondernemer van een tweedehands kledingwinkel in Nijmegen, begon Lenny voor zichzelf in een leegstaand pand in Venlo dat ze helemaal pimpte. Haar zus Astrid van Beuningen-Fleuren (55) maakt deel uit van het winkelteam. Haar moeder, Gerdy Fleuren (78), stond in Nijmegen enkele dagen achter de kassa en hielp klanten. Daar is ze mee gestopt. Zij heeft minder met mode dan haar twee dochters, maar is wel altijd mooi gekleed. Zeker toen ze nog werkte in de biljartzaak van haar man. ‘Je móest wel, als visitekaartje van de winkel.’
Nieuwe kleren waren vroeger een luxe, vertelt Gerdy. ‘Wij hadden het niet breed toen we trouwden. Alleen voor speciale gelegenheden kocht je iets nieuws. Met Kerstmis, Pasen of als er iemand trouwde.’
Astrid vult aan: ‘Oudere mensen zijn zuiniger en doen dus langer met hun kleren.’ Haar moeder: ‘Dat heeft met vroeger te maken. Als je niet veel geld hebt, dan ben je vanzelf zuinig. Mijn man gooit nog steeds niks weg, ook al draagt hij sommige kleren allang niet meer’.
Stropdasjuweeltjes
Toen de kinderen nog klein waren, maakte Gerdy hun kleren zelf. Lenny: ‘Ik weet nog dat de knickerbocker in was, een pofbroek die tot net onder de knie reikt. Moeder zei dat ze die ook wel kon maken. Het resultaat was het nèt niet. De broeken bleven ongedragen.’
Gerdy: ‘Mama maakte daarna dus geen kleren meer. Later kregen de kinderen kledinggeld.’ Lenny: ‘Ik heb haar nog een keer gevraagd of ze iets wilde maken voor mij.’ ‘Dat wilde ik wel doen’, zegt Gerdy, ‘maar onder één voorwaarde. Ik help je erbij, maar je maakt het zelf.’
Het resultaat van die stelregel is in de winkel te koop. Naast een eigen collectie, genaamd IK, maakt Lenny zogeheten stropdasjuweeltjes, een tweedehands stropdas, versierd met edelstenen. Ze draagt er zelf ook een, op haar blousejurk die ze eveneens tweedehands heeft gekocht.
Prijskaartjes
Haar blik dwaalt rond door de winkel. Tachtig procent is tweedehands, twintig procent is nieuw. Klanten zien op het eerste gezicht het verschil niet. Het staat op de prijskaartjes of iets nieuw is of al gedragen. De winkel werkt op consignatiebasis: klanten brengen kleding – tussen de twintig en vijftig draagtassen per dag komen er binnen – die zes weken in de winkel hangt.
Alles is geautomatiseerd. Na zes weken gaat de onverkochte kleding terug naar de klant of naar de Kledingbank, als de klant ze niet terug wil. ‘Meer dan de helft van de aangeboden kleren nemen we niet aan. Die zijn niet geschikt, omdat ze er niet als nieuw uitzien of niet meer modieus zijn. We spelen in op de behoefte van onze klanten. Van wat we innemen, verkopen we zeventig procent. De klant ontvangt veertig procent van de verkoopprijs.’
Meer dan de helft van de klanten besteedt de verdiensten in de winkel. Zoals de eigenaar van het Versace-jasje in de etalage. ‘Een vaste klant. Ze had het ook zelf kunnen verkopen via een platform, maar ze gunt het ons.’ Moeder Gerdy heeft inmiddels ook ‘tweedehands’ ontdekt. ‘Ik wissel tegenwoordig vaker. Van wat verkocht is, koop ik hier iets nieuws.’

